Recensies nieuw2

DAMOLEGI

 

Recensies - Nieuw

 

De grote kudde - Jean Giono

 

" grote kudde" gaat over mensen in het zuiden van Frankrijk in de periode van de eerste Wereldoorlog. Het boek beschrijft op fragmentarische wijze en erg plastisch het leven van de jonge plattelandsmannen die gedwongen werden te gaan vechten in een oorlog waar zijn niets van begrepen. Het beschrijft daarnaast ook het leven van hen die achter bleven, in angst en wanhoop.

Het boek begint met een ontzettend grote kudde schapen die uit de bergen omlaag komen, met enkele oude herders want de jongeren zijn opgeroepen.

Het eindigt met een even grote kudde gekwetste, uitgehongerde en uitgeputte soldaten, die na de oorlog terugkeren naar hun vroegere leven dat nooit meer wordt zoals voorheen.

Het is een erg aangrijpend boek, en minder geschikt voor erg gevoelige zielen vrees ik.

 

De vogels – Tarjei Vesaas

 

Mattis is een zwakbegaafde jonge man die met zijn zus Hege in een huisje aan een meer woont.

In alle recensies die ik zag (behalve die van Tzum) wordt Mattis omschreven als 40- jarige, terwijl hij in het boek 37 is. Lezen recensenten wel altijd de boeken die ze bespreken, vraag ik me soms af.

Mattis is dus 37, Hege is 40. Ze leven van de opbrengst van de Noorse truien die Hege onafgebroken breit.

Hun ouders zijn al vrij jong overleden.

Mattis wil ook wel werken maar het lukt hem niet. Hij wordt afgeleid door zijn afdwalende gedachten en dan volgen zijn handen niet meer.

Hij beseft zijn anders zijn en hij wil ook graag "scherp" zijn zoals zijn zus en de anderen in het dorp, waar hij de Slome wordt genoemd.

Hege tracht Mattis bezig te houden maar dat is niet eenvoudig.

Zij lijdt onder het eentonige en moeilijke leven met haar broer. Die merkt dat ook, voelt zich schuldig, is bang dat hij haar alleen zal laten.

Mattis ziet op een dag dat de houtsniptrek over hun woning gaat, wat er voren niet zo was. Hij raakt helemaal geobsedeerd door de vogels. Hij is van mening dat zij een nieuw leven aankondigen, een ander soort leven dan hij tot nu toe had. Maar hoe er dat uit zal zien weet hij niet.

Omdat werken nooit echt lukt voor Mattis, bedenkt Hege dat hij met zijn roeiboot als veerman aan het meer aan de slag kan gaan. Dat ziet Mattis wel zitten, ook al dient er zich geen enkele passagier aan. Tot op een dag Jørgen opduikt, die werk zoekt als houthakker. Zijn komst zet het leven van Mattis en Hege helemaal overhoop.

"De vogels" is geen sentimenteel boek maar wel ontroerend, toch voor mij als moeder van een mentaal gehandicapte zoon.

Het is geschreven in vrij korte zinnen, zonder veel beschrijvingen, met een beperkt aantal personages, en steeds vanuit Mattis zelf. Hij wordt erg natuurlijk, echt en vrij sec beschreven, zonder zielig of pathetisch te worden. Triest is het verhaal af en toe best wel.

Karl Ove Knausgard omschreef "De vogels" als "de allerbeste roman ooit door een Noor geschreven".

Of dat inderdaad zo is, daar kan ik niet over oordelen. Buiten Per Petterson, Lars Saabye Christensen, Herbjørg Wassmo en Knut Hamsun, las ik enkel Noorse thrillers.

In elk geval is deze korte roman voor mij één van de beste die ik dit jaar las.

 

Tarjei Vesaas is een Noor, geboren in 1897 en overleden in 1970. Hij was dichter en romanschrijver.

"De vogels" verscheen in 1957 onder de titel "Fuglane". Het werd in 1981 een eerste keer in het Nederlands vertaald en uitgegeven bij uitgeverij Agathon. Nu, in 2018, werd het opnieuw vertaald door Marin Mars en uitgegeven bij Lebowski.

 

Gouden bergen – Francis Spufford

 

Midden in de 18e eeuw komt de 24-jarige Engelse Richard Smith aan in New York, op dat ogenblik een stadje met amper 7000 inwoners. Hij is in het bezit van een wissel van duizend pond sterling die hij aanbiedt aan de rijke handelaar Lovell. Ook voor deze rijke zakenman is dat een enorm bedrag dat hij niet zo meteen kan bijeenbrengen. Maar mijnheer Smith geeft hem 3 maanden de tijd, zodat hij ondertussen kennis kan maken met New York en haar bewoners.

Hij wordt afwisselend gevierd en gewantrouwd en hij belandt zelfs een tijd in de gevangenis op beschuldiging van fraude. Maar het is voor de lezer al wel snel duidelijk dat hij iets van plan is waar hij niets mag over loslaten. Vast staat dag hij met een geheime missie naar Amerika is gekomen waarover pas op het einde van het verhaal meer wordt verteld.

Ondanks het nodige wantrouwen van zijn kant steunt mijnheer Oakshot, de secretaris van de gouverneur, hem. Hij is en blijft de enige betrouwbare vriend die de jonge Engelsman in New York heeft.

En dan is er nog de oudste dochter van Lovell, Tabitha. Tussen haar en Smith is er een voortdurend aantrekken en afstoten.

“Gouden bergen” is een boeiend en spannend boek, met goede beschrijvingen van het vroege New York, vaak ook grappig, en bovendien goed geschreven, hoewel soms met lange volzinnen.

Zeker aanbevolen lectuur voor een vakantie of weekend.

Dit fragment beschrijft de eerste voet die Smith op Amerikaanse bodem zet: “En zodra Smith met beide voeten op de kasseien stond, ging hij er ondanks zijn nog zwabberende onderstel zo snel vandoor dat de matroos die was meegestuurd om zijn scheepskist te dragen hem niet kon bijbenen, wat betekende dat Smith rechtsomkeert moest maken om de kist subiet op zijn eigen schouder te nemen – waarna hij zich verder repte, glibberend over vissenkoppen, knolbladeren, kattendarmen en andere havenresiduen – links en rechts naar de weg vragend – zodat hij veel weghad van een glimlachende wervelwind toen hij met zijn schouder de deur van het kantoor van de firma Lovell & Co. aan Golden Hill Street openduwde – net voordat die op slot ging –, zijn vracht loste, op het moment dat de jongste bedienden de lampen ontstaken en de klok aan de muur één voor vijf aanwees, en uiterst beleefd verzocht de heer Lovell zelve terstond te mogen spreken.

 

“Gouden bergen”, oorspronkelijke titel “Golden Hill”, verscheen in 2017 bij Uitgeverij Nieuw Amsterdam in een vertaling van Inger Limburg en Lucie van Rooijen.

 

Materiaalmoeheid - Marek Sindelka

 

Amir en zijn jongere broer “de jongen” zijn vluchtelingen uit een niet nader genoemd land, onderweg in Europa, naar een niet genoemde plaats in het noorden. Op een dag worden ze van elkaar gescheiden.

Het boek begint als de jongen, die ergens in een thuis opgesloten zit, uit dat huis ontsnapt en op zoek gaat naar zijn oudere broer.

Een rugzak plofte in de sneeuw, gevolgd door een jongen. Avond. Gloed aan de einder. Een rauw stuk hemel uitgesneden in het grijs. De adem zichtbaar. Het ijzeren hek fonkelend van de ijzel. Ook de betonmuur fonkelde. Achter de muur een rij ruiten, verlichte vensters, een stralende flat. De jongen kwam vlug overeind, klopte de sneeuw van zijn knieën. Over een winding van het prikkeldraad hing een deken met een inventarisnummer. Alles heeft een nummer hier, flitste het door zijn hoofd. Hij keek even om zich heen, deed de rugzak om. Er zat een shirtje in, zeep, lucifers, een mes dat hij uit de kantine had gepikt. In zijn zak een zorgvuldig opgevouwen briefje met daarop de naam van een stad in het noorden. Hij moet naar het noorden. Daar ergens zit zijn broer.”

“Materiaalmoeheid” is niet cronologisch geschreven. Er zijn diverse sprongen in de tijd. De plaatsen die de beide broers aandoen worden niet bij naam genoemd.

De taal is vaak origineel en ook wel erg beeldend. De koude waaraan de jongen tijdens zijn vlucht wordt blootgesteld en het winterlandschap waar hij doortrekt, beleef je als lezer mee.

Toch ben ik niet volledig positief over dit boek.

Dat Marek Sindelka twee jonge vluchtelingen in Europa als onderwerk voor zijn roman koos, vind ik heel erg positief, zeker voor een inwoner van een land waar men tegenover vluchtelingen allesbehalve positief staat.

Als de auteur met dit boek bereikt dat ook maar enkele mensen anders, minder negatief, over asielzoekers denken, dan is dit een geslaagd opzet.

Wat deze vluchtelingen op hun tocht meemaken is voor ons onvoorstelbaar. Maar wat Amir en zijn broertje overkomt vind ik te veel van het slechte in een te korte stijdspanne samengebald. Ik kan hierover echter moeilijk in detail treden zonder te veel van het boek prijs te geven. Het verhaal raakte me dan ook maar af en toe. Het is te veel en de realiteit is erg genoeg.

Dus positief dat dit boek werd geschreven en uitgegeven maar persoonlijk bracht het bij mij niet veel te weeg.

 

“Materiaalmoeheid”, oorspronkelijkt titel “ Únavu materiálu”, werd in het Nederlands uitgegeven bij Das Mag in 2018 in een vertaling van Edgar de Bruin.

 

Tijl – Daniel Kehlman

Ooit las ik voor een leesgroep van deze auteur “Het meten van de wereld” en ik herinner me dat ik dit geen gemakkelijk boek vond. De exacte wetenschappen, die veel aan bod kwamen, en ik, dat zal wel nooit iets worden.

Maar dit boek “Tijl” is helemaal anders.

Het verhaal van deze Tijl Uilenspiegel speelt zich af in de 17e eeuw tijdens de 30-jarige oorlog, een tijd van strijd tussen katholieken en protestanten, de tijd van heksenjachten ook.

Tijl is de enige in leven gebleven zoon van een molenaar Claus Uilenspiegel en zijn vrouw Agneta. Claus komt van het Lutherse noorden en is een man die nogal met zijn meestal elders is, die veel nadenkt, een amateur wetenschapper. Dit leidt tot zijn dood en Tijl trekt de wijde wereld in samen met Nele, de dochter van de bakker in zijn dorp. Hij leert allerlei kunsten, trekt op met troubadours en andere rondtrekkende lieden, is een tijd hofnar bij de afgezette koning van Bohemen en later richt hij zijn eigen circus op.

Via de belevenissen van Tijl komen we meer te wegen over Europa in die tijd, de machtsverhoudingen, de oorlogen en gevechten en het menselijke dat van alle tijden is.

Het verhaal wordt niet cronologisch verteld.

Niet enkel Tijl is het onderwerp van de verschillende hoofdstukken maar ook andere personages, die een belangrijke rol speelden in zijn leven, komen aan bod.

Het verhaal is soms hard, soms grappig.

Nele had meteen gemerkt dat hij niet goed was. Maar pas als ze Gottfried voor de menigte op de markt het lied over de duivelse molenaar hoort zingen, beseft ze dat ze met de slechtste straatzanger van allemaal in zee zijn gegaan.

Hij zingt veel te hoog en soms schraapt hij midden in een zin zijn keel. Bij het spreken klinkt hij nog wel aardig, maar als hij zingt, begint zijn stem te kraken en te piepen. De stem alleen zou nog niet zo erg zijn, als hij maar wijs kon houden. En dat hij vals zingt, zou ook nog niet zo erg zijn als hij de luit maar wist te bespelen, maar ook dat gaat telkens mis en soms vergeet Gottfried de melodie. En ook dat zou niet zo onverdraaglijk zijn als zijn verzen maar beter waren. Ze gaan over de gemene molenaar en het dorp dat hij onder de knoet hield, over zijn toverkunsten en zijn listen, maar hoewel ze de gruwelijke verhalen en bloederige details bevatten die het publiek verwacht, zijn ze warrig en nauwelijks te volgen, en de rijmen zijn zo onbeholpen dat zelfs een kind erover struikelt.

Toch luisteren de mensen.”

De taal is eenvoudig, met vrij korte zinnen en zonder heel lange beschrijvingen, maar toch wordt de sfeer goed weergegeven.

Ik heb het boek erg graag gelezen!

 

Daniel Kehlman is een Duitse auteur, in 1975 geboren in Munchen.

Hij woont afwisselend in Wenen en in Berlijn.

Andere boeken van hem die in het Nederlands werden vertaald zijn:

Ik en Kaminski (2004)

Het meten van de wereld (2006)

Roem (2009)

F (2013)

Je had moeten gaan (2016).

“Tijl”, oorspronkelijke titel “Tyll”, werd uit het Duits vertaald door Josephine Rijnaarts en uitgegeven bij EM. Querido’s Uitgeverijen BV in 2017.

 

Nimmerthuis – Laird Hunt

 

Ik lees al sinds mijn kindertijd erg veel maar het komt niet zo vaak voor dat ik vanaf het begin helemaal in de ban ben van een boek. Dit was dus wel het geval met dit boek, “Nimmerthuis” van Laird Hunt.

Het vertelt het verhaal van Constance Thompson een jonge Amerikaanse vrouw uit Indiana die zich als man verkleedt om in de plaats van haar man Bartholomew te gaan vechten in de Amerikaanse Burgeroorlog aan de zijde van de blauwhemden van de Noordelijke Unie tegen de Zuidelijke Geconfereerden te vechten. Zij is immers sterker dan hij.

Hij was van wol en ik van draad.”

Ze neemt de naam Ash Thompson aan maar krijgt al snel de bijnaam Galante Ash.

Ze denkt en handelt als “een echte man”.

In de grote kampen werkte je je in het zweet samen met alle soorten mannen van deze aarde. Ik ontschorste bomen met een rode indiaan uit de staat New York, met paarse en groene strepen op zijn armen en benen getatoeëerd, en ik sjouwde stenen en worstelde met ossen en slachtte geiten en maakte kanonnen schoon en laadde huifkarren, samen met het treurige vlees van toekomstige lijken en Chinezen die geen Engels spraken en Chinezen die het beter spraken dan ik en allerlei kleurlingen in elke vorm, tint of kleur. Ik denk dat ik, als ik vanaf de boerderij regelrecht daarin was terechtgekomen, van schrik zou hebben gehuild. Maar de weken en maanden hadden me eraan laten wennen. Je denken verandert als je in een rij staat in je blauwgoed met je vieze gezicht en je luizen en alle doden die je nu kent en regelmatig wordt beschoten. Je raakt in staat dingen te doen waarvan je niet had kunnen dromen.

 

Oorlog en vechten zijn niet mijn ding, en ik denk niet dat ik zou durven handelen zoals de hoofdpersoon doet. En toch spreekt haar personage en het verhaal me zo aan.

Waarom is dat? Ik denk dat het omwille van de taal en de stijl is. Die taal is nochtans niet hoogstaand. Het is de taal van een eenvoudige, weinig geletterde vrouw.

In het begin zijn de zinnen vaak krom en ontbreken er woorden of werkwoorden, maar haar taal evolueert. Zonder emotie doet zij verslag van de gevechten, de levensomstandigheden van de soldaten, de plaatsen waar zij met de andere soldaten doortrekt. Ze overleeft de Burgeroorlog en er staat haar nog een lange weg terug naar huis te wachten met de nodige hindernissen. Terug op de boerderij aangekomen is het geweld echter nog niet achter de rug.

Er hebben in de Amerikaanse Burgeroorlog effectief vrouwen meegevochten als man, soms zonder dat de andere soldaten het wisten, soms met medeweten van hen. Het verhaal van Galante Ash is dus niet helemaal fantasie.

 

“Nimmerthuis” werd uitgegeven in 2015 bij Meridiaan uitgevers in Amsterdam en vertaald in het Nederlands door Kees Mollema. De oorspronkelijke titel is “Neverhome”.

 

Laird Hunt werd in 1968 in Singapore geboren. Hij is een Amerikaanse schrijver, vertaler en wetenschapper. Hij studeerde aan de Universiteit van Indiana en aan de Sorbonne in Parijs, woonde in Tokio, Londen, Den Haag en New York, en lange tijd op de boerderij van zijn grootmoeder in Indiana. Er werden al 7 boeken van hem gepubliceerd maar “Nimmerthuis” is de eerste roman van Hunt die in het Nederlands verschijnt.

 

Ochtend en avond – Jon Fosse

 

Johannes wordt geboren en Johannes sterft.

Ochtend en avond.

Het eerste deel, de geboorte van Johannes, beslaat nog geen 20 pagina’s.

De rest van de novelle gaat over zijn levenszinde.

De oude visser Johannes ontwaakt en dwingt er zich toe aan zijn dag te beginnen.

Zijn vrouw is al enige tijd overleden en ook zijn beste vriend Peter is er niet meer.

Maar hij telt zijn zegeningen: zijn kinderen en kleinkinderen en vooral zijn dochter die dicht bij woont en hem bijna dagelijks bezoekt.

Maar deze dag lijkt alles vreemd en anders. Johannes heeft niet langer last van pijnlijke en stramme gewrichten en zijn sigaretjes en kopjes koffie smaken hem niet meer als voorheen. Het wordt nog vreemder als hij op zijn dagelijkse wandeling zijn vriend Peter ontmoet!

 

Moeilijke woorden komen er in het verhaal niet voor. De taal is vrij sober. Wel zijn er veel herhalingen die echter niet storend werken. Ze zijn logisch en passend in de gedachtenstroom van Johannes, die het tweede deel van het boek uitmaakt.

Nogal wat recensenten benadrukken de muzikaliteit van de taal. Mij viel dat niet zo op.

Het verhaal heeft me geraakt en het einde ontroerde me zelfs.

 

"Ik heb het buitenlicht aangedaan, Johannes, zegt Erna

Dat is lief van je, zegt Johannes

Ja, zo donker als het is, is dat geen luxe, je ziet geen hand voor je ogen, zegt ze

Nee, nu is het donker, zegt Johannes

en Erna en Johannes lopen langs de weg en Johannes ziet het buitenlicht en het schijnt zo gezellig boven de buitendeur en nu geeft alles zo'n goed en vertrouwd gevoel, net als vroeger vaak het geval was, nu is alles zoals het hoort te zijn, denkt Johannes, zo hoort het te zijn, zo hoort het tot in alle eeuwigheid zijn, denkt Johannes"

 

Gelukkig kocht ik tegelijkertijd 2 boeken van deze auteur. Dus ik kan nog wat genieten!

 

"Ochtend en avond" verscheen in 2000 onder de titel "Morgen og kveld". De Nederlandse vertaling is van Marianne Molenaar en werd in 2005 uitgegeven bij Uitgeverij Wereldbibliotheek.

 

Jon Fosse, ° 1959, is een Noorse schrijver van poëzie, romans en vooral van toneelstukken, die al heel wat prijzen won. Hij werd zelf al getipt voor de Nobelprijs literatuur! In 2010 verscheen er nog een vertaling van zijn werk bij de Wereldbibliotheek met als titel “Slapeloos”. Andere boeken van hem zijn er niet in het Nederlands vertaald.

 

 

Het huis van de drenkelingen – Guillermo Rosales

 

Mijn naam is William Figueras, en op mijn vijftiende had ik al de grote Proust, Hesse, Joyce, Miller en Mann gelezen. Zij waren voor mij wat de heiligen zijn voor een vrome christen. Twintig jaar geleden heb ik op Cuba een roman geschreven waarin een liefdesgeschiedenis werd verteld. … De literatoren van de regering vonden mijn roman morbide, pornografisch en ook irrelevant, omdat ik de Communistische Partij nogal hard aanpakte. Daarna werd ik gek. Ik begon duivels op de muren te zien, hoorde stemmen die me uitscholden en hield op met schrijven. Ik kreeg schuim op mijn lippen als een hondsdolle hond. In de overtuiging dat een verandering van omgeving me zou genezen van mijn waanzin, ging ik op een dag weg uit Cuba en kwam ik aan in het grote Amerika.” 

 

William Figueras is van Cuba naar Miami gevlucht, “op de vlucht voor de cultuur van Cuba”. Hij beschouwt zichzelf niet als een politieke vluchteling. Na een tijdje bij familie te hebben verbleven brengt zijn tante Clotilde, die zich het meest om hem bekommerde, hem naar een “Boarding Home, een soort van gekkenhuis. Het vierde al waar hij wordt opgenomen. Het wordt gerund door meneer Curbelo, die echter het echte gezag in handen heeft gegeven van de luie en agressieve alcoholieker Arsenio. Het home was vroeger een burgerhuis met 6 slaapkamers die nu in 12 hokjes zijn onderverdeeld met twee bewoners per hokje. Het leven is er hard.

Ik was eerst bang om dit boek te lezen. Ik vreesde weer een ongenuanceerd verhaal waarin alles in Cuba negatief en alles in de VS positief zou worden afgeschilderd. Maar zo een boek is het dus niet. Het is eigenlijk een verhaal over de zwakken die de nog zwakkeren uitbuiten of onderdrukken.

Het is echter geen boek voor teergevoelige lezers want de beschrijvingen van het leven in het Boarding Home zijn hard, wreed en niets verhullend. Maar het leven is nu eenmaal niet altijd en overal een lachertje.

 

Het verhaal is sterk autobiografisch zoals je in het nawoord kan lezen.

Guillermo Rosales werd in 1946 in Havanna geboren. Hij heeft zijn hele leven lang overal problemen gehad omwille van zijn schizofrenie waarmee hij gediagnostiseerd was. In 1979 vertrok hij uit Cuba naar Spanje en in 1980 ging hij in Miami wonen. Daar pleegde hij in 1993 zelfmoord na eerst al zijn werk vernietigd te hebben.

 

De oorspronkelijke titel van dit boek is “La casa de los náufragos”. Het verscheen onder die titel in 1987. Het werd vertaald uit het Spaans door Arie van der Wal en in 2018 uitgegeven bij Uitgeverij Atlas Contact Amsterdam/Antwerpen.

 

De vluchtelingen – Viet Thanh Nguyen

 

Prachtig geschreven boek met 8 korte verhalen over allerhande mensen die ooit Vietnam ontvlucht zijn. De titel van het boek dekt eigenlijk niet echt de lading want, al zijn al de hoofdpersonages vluchteling uit Vietnam, toch gaan hun verhalen meestal slechts zijdelings over hun vlucht. Het zijn eerder erg knappe karakterschetsen van mannen en vrouwen die toevallig ook allen ooit gevlucht zijn. Hun vlucht heeft uiteraard wel een invloed op hun leven maar die invloed is zelden allesoverheersend. Het geheel is niet zwaar of zwaarmoedig maar wel erg menselijk en vaak ook wel grappig.

Zo begint bijvoorbeeld het verhaal van Arthur Arellano en zijn vriend Louis Vu:

Er waren Arthur Arellano veel onverwachte dingen overkomen, maar de transformatie van zijn bescheiden garage in een magazijn vol met stapels kartonnen dozen met namaakproducten, was lang niet het verrassendste. Op de dozen stonden namen als Chanel, Versace en Givenchy, ontwerpers van luxegoederen die ver buiten het bereik van Arthur en zijn vrouw Norma lagen. De aanwezigheid van die spullen zat Arthur niet lekker, dus een week nadat Louis Vu de Arellano’s deze onverwachte rijkdom had bezorgd, glipte Arthur zijn huurhuis uit, sloop over het grind van de oprit langs de Chevy Nova en deed de garagedeur open om na te denken over de goederen waar hij nu zo innig mee samenwoonde.

 

Viet Thanh Nguyen werd in 1971 in Vietnam geboren als zoon van Noord Vietnamese ouders die in 1954 naar Zuid Vietnam vluchtten. Na de val van Saigon in 1975 vluchtte het gezin naar de VS. De auteur studeerde aan universiteiten in Californië waar hij nu ook les geeft. In 2015 verscheen zijn debuut, The Sympathizer (De sympathisant) waarmee hij in 2016 onder andere de “Pulitzer Prize for Fiction” won. “De vluchtelingen” is het tweede werk van hem dat gepubliceerd werd.

“De vluchtelingen”, oorspronkelijke titel “The Refugees”, werd uit het Engels vertaald door Paul Bruijn en in 2018 uitgegeven bij Uitgeverij Marmer in Baarn.

 

De bekeerlinge – Stefan Hertmans

 

Stefan Hertmans heeft de formule van zijn succesboek “Oorlog en Terpentijn” nog eens willen overdoen: het vertellen van een waar gebeurd verhaal, afgewisseld met de zoektocht, de indrukken en de gevoelens van de auteur.

Maar daar waar “Oorlog en Terpentijn” me wel raakte in die delen waarin de geschiedenis werd verteld van de grootvader van Hertmans, raakte die boek me niet echt, ondanks de toch wel heftige belevenissen van de hoofdpersoon.

Het is erg afstandelijk geschreven, met een veelvoud aan adjectieven, en doorspekt met allerlei weetjes, de ene keer boeiend en relevant, de andere keer niet ter zake doend.

Ik heb wel bijgeleerd over de periode waarin dit verhaal zich afspeelt, namelijk in de tweede helft van de 11e eeuw. Maar eigenlijk lees ik daarvoor toch liever een non-fictie boek.

 

Mevrouw Osmond - John Banville

 

John Banville schreef dit boek als een vervolg op "Portrait of a Lady" van Henry James. Dit laatste boek eindigt met de terugkeer van mevrouw Osmond, Isabelle Archer, naar Rome, waar haar man woont. Banville vertelt in zijn boek over Isabelle's verblijf in Engeland en over wat er gebeurt als ze terug is in Rome.

Ik vond de idee van een vervolg op een bestaand en bekend boek wel goed gevonden, hoewel andere schrijvers dit ook wel deden uiteraard.

Maar Banville gaat helemaal verder in de stijl en in de taal van Henry James. En net die taal en stijl lagen mij niet zo goed. Er waren naar mijn smaak te veel beschrijvingen en uitweidingen. Ik was echter wél benieuwd naar het verhaal. Hoe gaat Isabelle de problemen met haar man oplossen? En ik moet bekennen dat ik, na de eerste helft van het boek, redelijk diagonaal ben gaan verderb lezen, om de ontwikkeling van de gebeurtenissen te weten te komen.

Nochtans ben ik geen lezer die altijd een "verhaal" in een roman nodig heeft. Het meest banale onderwerp kan me boeien als het maar goed geqchreven is (zoals in mijn eeuwige voorbeeld, de schildpadden die een weg oversteken in "Druiven der gramschap").

De taal in dit boek van Banville kon echter mijn aandacht niet vasthouden.

De auteur zelf zegt geen hoge dunk te hebben van zijn eigen werk. Enkel van "De onsterfelijken" wordt hij nog blij.

Ik vond dan weer het eerste boek dat ik van hem las het beste, namelijk "Het boek der getuigenis" uit 1989, een intrigerend portret van een moordenaar.

"Mevrouw Osmond", oorspronkelijke titel "Mrs. Osmond", werd vertaald door Arie Storm en uitgegeven bij Querido.

 

De dood van Ivan Iljitsj – Leo Tolstoj

 

De grote twijfel op het einde van een leven door zich de vraag te stellen of dat leven wel zin had, of het goed geleefd werd, dat is de grootste marteling voor de doodzieke Ivan Iljitsj. Die twijfel kwelt hem meer dan de zware en onafgebroken pijn die hij lijdt.

Nochtans verliep zijn leven vrijwel vlekkeloos en bijna helemaal zoals hij het had uitgestippeld. Hij werd geboren in een welstellend ambtenarengezin, voltooide met succes zijn rechtenstudie, had een loopbaan die in stijgende lijn ging met een inkomen dat ook steeds groter werd, en dus met een groeiende materiële welstand. Maar was het dit? Had het ook anders en beter gekund?

Tolstoj beschrijft in deze korte novelle de oppervlakkigheid van het burgerleven, de occupatie met het materiële, de wil om steeds tot een hogere klasse door te dringen, het zich afwenden van mensen die minder succes in het leven hebben. Hij doet dit vaak op een humoristische wijze.

Ligt het doel van het leven in het nastreven van de grootst mogelijke materiële welstand? Of is er meer in het leven?

Een goede vraag maar tezelfdertijd ook een luxevraag voor veel tijdgenoten van Tolstoj die in de grootste armoede moesten leven! En hiermee wil ik niet zeggen dat ik dit geen goed boek vind, integendeel!

 

Citaat: 'Drie dagen verschrikkelijk lijden en toen de dood! Nou, dat kan mij ook opeens, zomaar overkomen,’ dacht hij, en even voelde hij zich doodsbang. Maar plotseling - hij wist zelf niet hoe dook de gebruikelijke gedachte in hem op, dat dit lvan lljitsj allemaal was overkomen en dat het met hem niet zou en niet kon gebeuren, en dat die gedachte, dat het wel eens zou kunnen gebeuren, zou betekenen dat hij aan een somberheid zou toegeven die, zoals de uitdrukking op het gezicht van Schwartz duidelijk liet zien, niet nodig was. Na die overweging voelde Pjotr Ivanovitsj zich weer gerust, en begon met belangstelling naar de bijzonderheden van de dood van lvan lljitsj te vragen, alsof de dood iets was, wat bij lvan lljitsj hoorde en niet bij hem."

 

Het Noordwater – Ian McGuire

 

Weer een roman vol rauwe gebeurtenissen en geweld waar ik dus niet van hou. En toch las ik dit boek heel graag.

 

Patrick Sumner, een aan lager wal geraakte arts, keert terug naar Groot Brittanië, na zijn oneervol ontslag uit het leger in India. Hij gaat aan de slag als scheepsarts op een boot met walvisvaarders. Het leven aan boord is erg hard. En het wordt nog harder als het schip vast komt te zitten in het ijs. Dit gebeurt niet bij toeval. Het verhaal speelt in de tweede helft van de 19e eeuw en het einde van de walvisvangst is in zicht. De reder is zich hiervan bewust en hij heeft de kapitein gevraagd de boot te laten zinken om zo de verzekeringspremie op te strijken. Maar niet alles loopt zoals gepland en slechts twee opvarenden overleven alles.

 

Op internet wordt het boek vaak als een thriller omschreven maar dat is het voor mij niet, eerder een psychologische roman. De manier waarop de verschillende opvarenden reageren op de barre omstandigheden, op elkaar en op wat er allemaal gebeurt, zijn erg goed beschreven. Zo ook de omstandigheden zelf, de natuur, de bittere koude, de wreedheden die er worden begaan.

 

In de Groene Amsterdammer van 18 oktober 2017 schreef Philip Huff een boeiende recensie van dit boek die u kan lezen op onderstaande link:

https://www.groene.nl/artikel/alles-wat-ademt-gaat-eraan

 

Lincoln in de bardo – George Saunders

 

Bardo is een term uit het Tibetaans boeddhisme en het betekent letterlijk “tussen twee”, in dit geval de overgang tussen de dood en het “hiernamaals”. De Lincoln die zich in de bardo bevindt is Willie, de zoon van de Amerikaanse president Abraham Lincoln, die op 11-jarige leeftijd, na een ziekte, overleden is.

Willie is op het kerkhof, in zijn “krankenkist” (doodskist) in zijn “stenen behuizing” (graf). Samen met hem verblijven er nog anderen daar in de bardo: Roger Bevins, een jonge homo die zelfmoord pleegde uit liefdesverdriet, Hans Vollman, een drukker met een houten gebit die stierf net voor hij zijn huwelijk met een veel jongere vrouw ging consumeren en die nu continu met een reuzenpenis in erectie opgescheept zit, en een dominee Everly Thomas. Zij zijn de voornaamste figuren. Verder zijn er nog wat overleden bijfiguren die geen eigenlijke rol van betekenis in het verhaal spelen. Wat er gebeurt op het kerkhof wordt verteld in vaak korte zinnen die afwisselend worden gezegd door de verschillende aanwezigen.

Op deze manier wordt president Lincoln beschreven:

 

De man had iets van de prairie over zich.

hans vollman

Inderdaad.

roger bevins iii

Alsof men laat op een zomeravond een boerenschuur betrad.

hans vollman

Of ergens op het uitgestrekte platteland een muf ruikend kantoor, waar nog een heldere kaars brandt.

roger bevins iii

Weids. Winderig. Nieuw. Treurig.

hans vollman

Ruim. Nieuwsgierig. Doembewust. Ambitieus.

roger bevins iii

De rug lichtjes gekromd.

hans vollman

De rechterlaars knelt.

roger bevins iii”

 

Naast de belevenissen van de figuren in de bardo, is er ook het verhaal van de rouwende vader, president Lincoln. Hij is overmand door verdriet omwille van het verlies van zijn zoon, en hij wordt tegelijkertijd geconfronteerd met het verdriet van anderen die een zoon verloren in de Burgeroorlog waar hij als president verantwoordelijk voor is. Ook deze delen van het verhaal worden in vrij korte stukken verteld. We lezen zowel wat de president doet en denkt, als hoe anderen de gebeurtenissen rond de dood van Willie ervaren en dit in al dan niet ware fragmenten uit geschriften van tijdgenoten.

De gedeeltes waarin het verdriet van de president worden beschreven waren echt aangrijpend, en voor mij het beste in deze roman.

 

Wat de verhalen op het kerkhof betreft, die hadden voor mij wat korter gemogen, en sommige konden zelfs helemaal geschrapt worden. Er zit in deze fragmenten veel absurde humor en je moet uiteraard een liefhebber zijn van dit soort humor, om het te waarderen. Ik hou er niet zo van. Aanvankelijk vond ik het best grappig maar naarmate het verhaal vorderde begon het absurde me te irriteren. Dus de reuzenpenis, de tientallen ogen en handen van Roger Bevins, de groepssex van een deel kerkhoffiguren, waren aan mij niet besteed.

De idee van de doden die niet beseften dat ze dood waren, die nog ronddoolden alvorens over te gaan naar hun volgende fase, en die Willie en zijn vader willen helpen, vond ik wel origineel, ook zonder de absurde humor.

 

Ik heb er geen spijt van dat ik dit boek kocht en las, maar voor mij bestaan er betere Booker Prize-winnaars.

 

De horizon – Wieslaw Mysliwski

 

Ik las achter elkaar twee prachtige boeken die het leven in kleine gemeenschappen beschrijven.

Dit is het eerste ervan.

 

De jonge Piotr verhuist tijdens de Tweede Wereldoorlog met zijn vader, een ziekelijke gewezen officier en boekhouder, en zijn moeder van de stad naar het platteland. Ze trekken eerst in bij de familie van de moeder. Het is een uitgebreide familie met grootouders, tantes en ooms, waar Piotr het enige kind is.

Ze wonen dicht bij de rivier de Wisla, aan de voet van een hoger gelegen stadje.

Piotr is de ik-verteller die als volwassen man, en vader van een zoon, terugkijkt op zijn jeugd.

Met veel oog voor detail en ook wel met humor worden leefomstandigheden en mensen beschreven.

De kibbelende familie, de door hun mishandelde hond geobsedeerde oom, die zieke vader die slechts af en toe een opmerking maakt maar daarom niet minder raak, de dames Poncka, 2 jonge prostituees die de bovenburen zijn van Piotr en zijn ouders als ze terug alleen gaan wonen…

De moeder van Piotr komt voor mij het best uit de verf. Ze is altijd actief, vrijwel constant aan het woord, vaak zonder aandacht te besteden aan wat anderen haar trachten te zeggen. Ze gaat eigenzinnig haar gang, tracht op haar manier het hoofd te bieden aan de moeilijke omstandigheden waarin ze met haar gezin leeft, met een zieke man, zonder inkomen. Knap beschreven maar ook wel wat triest is de scène waarin ze met Piotr op zoek gaat naar één van zijn schoenen die hij verloor, onderweg naar een dorp waar er misschien een betrekking is voor zijn vader. Piotr heeft maar één paar schoenen en geld is er niet. Ze geeft niet op en sleurt Piotr kilometers ver mee langs de pas afgelegde weg, op zoek naar de verloren schoen.

 

Ze liep tot aan een boom, vermoedelijk een wilg, want we waren onderweg alleen maar wilgen tegengekomen, en dat hield haar als het ware tegen. Ze draaide zich om en begon terug in mijn richting te lopen, inmiddels zonder haast, voetje voor voetje, waarbij ze aandachtig haar blik over de akkers liet gaan.

‘Misschien zijn we hier ook wel langsgekomen,’ zei ze de plek naderend waar ik zoals ze me had bevolen was blijven staan. ‘Kijk, volgens mij groeide zelfs deze stinkende gouwe hier in de berm. Ik dacht nog: jij hebt een wrat op je hand, daar moet ik wat van die stinkende gouwe op wrijven. Maar dat doe ik wel als je vader eenmaal die baan heeft.’

Bijna berustend stemde ze ermee in dat het dezelfde weg was, in elk geval was niet te merken dat ze enige opluchting voelde. Maar het was ook geen argwaan of we wel dezelfde weg liepen die haar gebood deze weg te controleren. De vrees of we die schoen zouden vinden had zich verplaatst naar de argwaan ten aanzien van de weg. Zo ging het trouwens altijd bij haar, dat ze haar kwellingen, tenminste die waartegenover ze zich radeloos voelde, als het ware overbracht naar een andere, mildere sfeer, naar andere gevallen, andere omstandigheden of andere personen, ze vaak veranderend in hun volslagen tegendelen. Vandaar dat het pijnlijkste leed zich bij haar als levensvreugde kon manifesteren.

 

De wereldoorlog komt niet rechtstreeks aan bod, enkel als die van invloed is op de levens van de mensen uit het stadje, op één wrange passage na. Dat is als de buren van de familie, het joodse gezin Szmul, samen met de andere joodse gezinnen moet verhuizen, naar “het beloofde land” denkt vader Szmul.

 

Nog een citaat dat de humor in het boek typeert. De uitgebreide familie aan tafel als ze één van hun hanen gaan eten, en die moet eerlijk verdeeld worden:

 

Als ze de borden heeft klaargezet, gaat oma over tot het verdelen van de haan, met ernst en beleid die de gerechtigheid betamen. Voor hem een dij, voor die de andere dij, voor deze een halve borst, voor die de andere helft, daar het achterstuk, hier een vleugel, daar de andere vleugel, de hals, er zijn te weinig vleugels, te weinig dijen, dus wordt hier wat afgehaald, daar wat bij gelegd, hier verlegt ze, daar haalt ze er een stukje af, daar wisselt ze, doet er iets bij, snijdt in tweeën, en ze bedenkt dat het nog wel zo’n grote haan leek toen hij nog over het erf liep en nu valt er nauwelijks iets te verdelen.

De tantes zien er als uilen op toe dat hun echtgenoten niet tekort wordt gedaan en veranderen desnoods met hun ogen grotere in kleinere stukken, kleinere in grotere en misschien dat zelfs daarom dat verdelen oma zo langzaam afgaat. Vooral omdat ook de ooms niet onverschillig zijn, maar in spanning wederzijds hun borden in de gaten houden, geen van hen schuurt zelfs met zijn schoen over de vloer.

Alleen opa is rustig, want hij is verzekerd van een dij...

 

Wieslaw Mysliwski is een Poolse schrijver. Hij werd in 1932 geboren. Hij studeerde Poolse filologie in Lublin en werkte daarna bij een uitgeverij. Hij schreef romans en toneelstukken, die vooral het leven op het Poolse platteland als onderwerp hebben. Hij won verschillende prijzen met zijn werk, dat ook min of meer autobiografisch is.

Er werden 4 boeken van hem in het Nederlands vertaald: “Over het doppen van bonen” dat verscheen in 2009, “Steen op steen” in 2012, “De laatste hand” in 2016 en “De Horizon” dat in het Nederlands uit kwam in 2017. Het werd uit het Pools vertaald door Karol Lesman en uitgegeven bij Uitgeverij Querido.

 

 

Zomerlicht, en dan komt de nacht – Jon Kalman Stefansson

 

Het tweede boek dat ik las over het leven in een kleine plattelandsgemeenschap.

 

Jon Kalman Stefansson overdonderde me ooit compleet met “Hemel en hel”, het eerste deel van zijn trilogie. De andere twee delen hebben als titel “Het verdriet van de engelen” en “Het hart van de mens”.

Zijn roman “Vissen hebben geen voeten” kon me niet bekoren. “Iets ter grote van een universum” dan weer wel.

 

Maar nu las ik dus “Zomerlicht, en dan komt de nacht” en voor mij is dat zijn tweede beste boek.

 

Het beschrijft het leven in een dorpje in IJsland, op het platteland, dicht bij de kust. Een 400-tal inwoners, en gelegen op twee uur rijden van de hoofdstad Reykjavik.

 

Het boek bestaat uit 8 delen, waarvan het eerste deel een korte inleiding of kennismaking is met het dorp en de volgende 7 delen elk inzoomen op één van de inwoners. Die bescheven inwoners en andere verschillende personages komen echter ook in de andere delen nog voor.

Het zijn geen volledige en van elkaar onafhankelijke verhalen. Ik zou het eerder schetsen noemen en ze worden verteld in de 1e persoon meervoud. De “wij” in het boek zijn de stem van de andere inwoners, wel een origineel idee.

 

Wat dit boek zo bijzonder maakt is weer de poëtische taal die zo kenmerkend is voor Stefansson. Hij heeft werkelijk een uniek taalgebruik. Dat zie je al aan sommige titels van de hoofdstukken: “Tranen hebben de vorm van roeiboten”

“Wat met het begrip ‘het einde van de wereld’ verwant is”

“In het oerwoud gaat er veel door je hoofd, vooral als er een grote rivier doorheen stroomt”.

 

De eerste inwoner die wordt beschreven is de directeur van een kleine breifabriek, die zijn succesvol leven helemaal achter zich laat en “de astronoom” wordt. Hij komt in bijna al de delen van het boek voor.

 

Op een nacht begon hij in het Latijn te dromen. Tu igitur nihil vidis? Het bleef echter lang onduidelijk wat voor taal het was, zelf dacht hij dat hij het zelf had gefabriceerd, er gebeurt zoveel in dromen. Toentertijd zag het er hier in het dorp behoorlijk anders uit, we bewogen ons een beetje langzamer en de Co-op hield alles bij elkaar, hij was daarentegen de directeur van de breifabriek, en hij was onlangs dertig geworden. Alles leek voor hem van een leien dakje te gaan, hij was getrouwd met zo’n knappe vrouw dat sommigen een raar gevoel vanbinnen kregen als ze haar zagen; ze hadden twee kinderen en we gaan ervan uit dat een van de twee, David, nog op deze pagina’s een rol zal spelen. De jonge directeur leek voor het succes te zijn geboren, het gezin woonde in de grootste eengezinswoning van het dorp, hij reed in een Range Rover, liet zijn pakken op maat maken, wij zagen er vergeleken bij hem allemaal grauw uit, maar toen begon hij in het Latijn te dromen.

Er werkten 7 vrouwen in de breifabriek. Elisabet, zijn assistente en ook één van de beschreven personages, blijft bij de directeur in dienst. Ook één van de andere vrouwen vindt een nieuwe job. Maar vijf van heb blijven werkloos. Zij worden omschreven als “de tien handen” en zijn jaloers op Elisabet.

 

Zonder dat er een heel hoofstuk aan gewijd wordt is er ook nog Agusta, de postbediende, die alle brieven en pakjes opent die ze open krijgt en hiermee de roddels in het dorp subtiel aanwakkert. En David, de zoon van de astronoom, die aan een universiteit studeerde maar toch terugkeerde naar het dorp om er als gewone arbeider aan de slag te gaan.

Ook de wij-vertellers komen niet los van het dorp en dat wordt mooi en bijzonder verwoord: “Maar we gingen natuurlijk niet, je weet hoe het is: iedereen zit vastgeklonken aan het magnetische noorden van zijn gewoontes.”

Nog een voorbeeld van de typische taal van Jon Kalman Stefansson:

 

“Ooit droomde Björgvin over een leven met Agusta van het postkantoor, het bleef echter bij een droom en zo is het vaak, de wereld is vol dromen die nooit in vervulling gaan, ze lossen op in rook, slaan als dauw van de hemel neer en veranderen ‘s nachts in sterren.”

 

Iets minder vond ik het stuk waarin er iemand in het dorp komt om het restaurant, dat Elisabet zonder vergunning in de leegstaande fabriek opende, te bespieden. Die man heet Aki en hoe het hem verliep, hoe hij in het bed belande van een sterk ruikend want zelden gewassen boerenmeisje vond ik een beetje er over. Maar dat is maar een klein schoonheidsfoutje in het geheel.

 

Dit boek “Zomerlicht, en dan komt de nacht”, verscheen oorspronkelijk in 2005. Het werd van het IJslands naar het Nederlands vertaald door Marcel Otten en in 2018 uitgegeven bij Ambo/Anthos uitgeverijen in Amsterdam.

 

Open zee - Catherine Poulain

 

Een jonge Franse vrouw, Lili,ontvlucht om onduidelijke redenen haar familie, omgeving, haar land. Ze wil naar Point Barrow, Alaska, naar het uiteinde van de wereld volgens har. In de realiteit is Point Barrow het meest noordelijke punt van de Verenigde Staten.

Lili komt aan in Kodiak waar ze werk zoekt op een vissersboot. Ze wordt aangenomen op de Rebel waar ze achtereenvolgens op koolvis en op heilbot vissen. Het leven aan boord is hard maar Lili wil zich bewijzen tegenover de mannen en ze gaat daar heel ver in.

Het boek wemelt van de mensen die aan de rand van de maatschappij leven, verschoppelingen, dronkaards, mensen op de vlucht voor hun verleden. De alcohol vloeit rijkelijk. Er wordt gewerkt, gedronken, waarna de roes wordt uitgeslapen.

Het boek bevat veel en gedetailleerde beschrijvingen van het harde leven aan boord van een visserschip, van de weersomstandigheden, de boeten, de mensen, ook beschrijvingen die me op de duur stoorden. Iedereen snuit de neus tussen twee vingers, rochelt en spuwt er op los, steevast worden flessen met de tanden geopend. De vissers zijn vuil, ongewassen, hangen vol visslijm en -bloed, rottend aas.

Lili krijgt een liefdesrelatie met Jude, de grand marin van de Franse titel van het boek. Jude wil na verloop van tijd terug naar Hawai en vraagt Lili mee. Zij verkiest echter in Alaska te blijven. Daar ligt haar lot.

De auteur deed blijkbaar veel opzoekingswerk over boten, vissers en over Alaska. Zelf woonde ze ook lange tijd in Alaska en werkte op vissersboten. Toch staan er onjuistheden in het boek. Jude, die in een goede donzen slaapzak in de sneeuw gaat slapen bijvoorbeeld en het dan nog warm heeft ook. Dat klopt dus niet want eenmaal nat (en sneeuw smelt van je lichaamstemperatuur) geeft een donzen slaapzak absoluut geen warmte meer, integendeel!

Wat zoeken al die mensen in die uithoek van de wereld met zijn barre levensomstandigheden. Dat was me niet echt duidelijk. Zijn ze nergens anders welkom en voelen ze zich elders verlegen en onzeker? Wat zoekt Lili daar? Ongebondenheid, vrijheid of de dood? "De wellust van de totale uitputting"?

Voor mij ligt de sterkte van dit boek in de beschrijvingen van de onbarmhartige en koude natuur, en het harde leven aan boord, van een wereld en een leven dat mij totaal vreemd is (en dat me overigens ook niet aanlokt want in een storm op een zeilboot vond ik al eng genoeg).

 

De oorspronkelijke titel van dit boek is "Le grand marin" en het verscheen in 2016 in Frankrijk. Het is de debuutroman van Catherine Poulain en het boek werd erg populair in Frankrijk. De Nederlandse vertaling door Prescilla van Zoest verscheen in 2017 bij Uitgeverij Cossee.

 

 

 

 

 

Purus vitae dolor ut eu - Urna pulvinar suspendisse